De vulkaan stond als een zwarte kolos
De vulkaan stond als een zwarte kolos
De vulkaan stond als een zwarte kolos tegen de nachtelijke hemel, een silhouet dat alle sterren opslokte. Uit zijn gapende keel spuwde hij gele vlammen—niet warm en uitnodigend, maar scherp, giftig licht dat de wolken erboven deed oplichten als verscheurde lakens. Elke uitbarsting pulseerde als de ademhaling van een wezen dat al eeuwen sluimerde en nu eindelijk ontwaakt was.
De omgeving lag in een vale schemer, alsof het landschap zelf bang was om te zichtbaar te zijn. Dorpen aan de voet van de berg fluisterden zijn naam niet langer; ze dachten hem slechts, uit angst dat zelfs woorden hem konden wekken. Voor de mensen was hij geen natuurverschijnsel meer, maar een duistere macht—een oerkracht die hun bestaan niet alleen bedreigde, maar leek te beoordelen, te wegen.
Wanneer de gele vlammen de lucht openscheurden, zagen zij geen vuur. Ze zagen een waarschuwing. Een oordeel. Een herinnering dat hun wereld fragiel was, en dat de berg, met zijn donkere huid en vurige hart, altijd de laatste stem had.